maandag 6 februari 2017

Seizoenstosti!



Jaren 80 kent de horeca in Groningen-Stad nog sluitingstijden. Buiten de diepenring was en is nog steeds café De Smederij. Ik kwam daar een paar jaar alleen als incidentele seizoenbezoeker. Het was namelijk niet om het ene uur dat dit etablissement buiten de diepenring langer mocht verkopen. Ik kwam er voor Het Bokbier, dat toen, enkel en alleen in de herfst, een jaarlijks evenement was. Maar er was meer. Samen met dit goddelijke vocht (‘Dit jaar iets zoeter / straffer dan het vorige’) oefenden de tosti’s uit de contactgrill een onweerstaanbare aantrekkingskracht op mij uit.

Nog zie ik de barman met zijn grote snor een door het apparaat geribbelde giga-geplette tosti van de contactgrill losschuiven. De keiheet gesmolten kaasdraden een gevaar voor mijn gretige mond en vingers. Een tweede rondje durfde ik ook nog aan, een grotere uitspatting liet mijn budget niet toe en ik vreesde ook toen al dat meer van iets lekkers niet een evenredige grote genotsbeleving zou genereren. Ondertussen ken ik ook andere tostivarianten, zonder een kwaad woord over mijn oude liefde te schrijven. De horecaklassieker MILAN, zeer geschikt voor de dikkere handgesneden boterham, die, afhankelijk van het brood, een geweldig smakelijke brosse tosti oplevert, -helemaal een feestje met HELA-curryketchup. Dergelijk ciabatta-achtig brood is ook uitermate geschikt om in te wrijven met knoflook, tomaat en olijfolie. Maar dit laatste terzijde. Misschien moet ik toch weer eens naar De Smederij, ik durf tegenwoordig een contactgrill-tosti zonder Bok ook aan. Dan maar met een tripeltje.






vrijdag 3 februari 2017

Tostie! Standje ½


Het lijkt, zoals alle dingen die simpel lijken, gemakkelijk. Dat is niet zo. Tosti’s bakken. Zonet in het wijkcentrum bestel ik een simpele tosti: bruinbrood met kaas. Allereerst het positieve: de tosti was niet verbrand. Integendeel, de plakjes brood leken eerder ontdaan van kleur verschoten omdat ze een geroosterde staat moesten voorstellen. Lauw, wat, de kou was er net af.

En ook nog met kaas waar korstjes aanzaten. Gelukkig kon ik die er gemakkelijk aftrekken; dat was weer moeilijker geweest als de tosti krokant doorbakken was geweest. Toch braaf de tanden in de eerste helft maar dit was zo’n slappe hap dat ik de dienstdoende buffetbediende vroeg de tweede helft nogmaals te bakken; hetgeen tot enige woordeloze verwondering leidde. Maar wel, zij het zonder enige haast, gebeurde.

Na een poosje wachten dacht ik mijn helft nu wel lang genoeg tussen de grill had gelegen en lekker gebruind zou zijn. Niet. De maagvulling kwam even bleek terug als-ie heen was gegaan. Misschien stond het apparaat op standje ½? Van opperste verbazing, gecombineerd met nu dubbele teleurstelling vergat ik prompt een foto te maken. Wat overheerste was het gevoel dat ik bepaald geen waar voor mijn geld had gekregen. Natuurlijk weet ik dat de werkzaamheden in het wijkcentrum gebeuren door vrijwilligers. Maar dit mag toch geen excuus zijn benedenmaatse kwaliteit te bieden?

Een tosti moet, en niet alleen naar mijn smaak, krokant zijn, met kaas die behoorlijk tegen het smeltpunt zit. Ik plaats hier een foto van de tosti die ik als troost thuis maakte.

Misschien schrijf ik een vervolg over mijn tosti-avonturen, al of niet in de avonduren. Enne, mocht iemand van wijkcentrum F. dit lezen: ik kom graag een keer een workshop tosti bakken geven. Vergees.

zondag 29 januari 2017

Grunneger Veurleescup 2017


Organisatie www.kostverloren.org Veurleescup 2017 Ontwerp affiche Richard Bos



Platjelopen - Spijbelweer


Op mijn blog Platjelopen van 16 januari jl. kreeg ik een aantal reacties van geboren en getogen Grunnegers dat ze het woord niet kenden. Zowel lu oet Stad as der boeten.

Opmerkelijk genoeg, vergelijkbaar veel herkenning van geboren en getogen Groningers. Zowel oet Stad as der boeten.

De niet-bekendheid-met, net als de kennis-van, had, volgens mij zeker niet te maken met rang of strand of klasse. En het waren ook geen mensen die nooit spijbelden.

 Wie het weet mag het zeggen.

Voor iedereen ‘Spijbelweer’, mijn poëtische versie in Hollands en ‘Zummersmok’ in Grunneger toal.

Beide gedichten verschenen bij drukkerij Gerlach in Stad; beide gedichten zijn zomer 2003 in kleine oplage handgezet en ambachtelijk gedrukt bij Dick Ronner in Houwerzijl. Bij die presentatie speelde Bert Ridderbos zijn, speciaal door hem voor deze gelegenheid gecomponeerde, ‘Zummersmok’. 
Het werd een memorabele avond.









maandag 23 januari 2017

Kousenvoetjes en een lantaarn (Mm)


Hozevörrels (Mm)
Er bestaan mensen die het kunnen: veel verschillende talen spreken. En dan ook nog zonder dat iemand, hoe kritisch die ook luistert, hoort dat de spreker opgegroeid is met heel andere keelklanken. Ik kan me, soms met handen en voeten en een bijpassende gezichtsuitdrukking, in een handjevol talen uitdrukken. Gaat mijn publiek dan lachen, maakt niet uit, als ze me maar goed begrijpen.
Veel talen kennen tongbrekers; zinnen die vaak, ook al bedoeld om te lachen, lastig zijn om snel op te ratelen; doe je het twee keer of meer wordt het een mengelmous.

Een speciaal soort onder de tongbrekers is de sjibbolet. Een zin die bestaat uit zo veel mogelijk kenmerkende klanken dat die voor een buitenstaander moeilijk, om niet te zeggen vrijwel onmogelijk, foutloos uit te spreken is. Vaak gebruikt in tijden van oorlog en vergelijkbare ellende.
Laat een Duitser, hoe goed die de Nederlandse taal ook machtig is, ‘Chris schooide in Scheveningen om scheve schaatsen’ zeggen: hij valt door de mand. Probeer zelf eens het Engelse ‘She sells seashells at the seashore, the seasells that she sells, are seashells for sure’. In Groningen kennen veel mensen ‘Wel op hozevörrels mit schienvat in t haand op beune sielötten hoalen kin mout wel n Grunneger wezen’. Lees maar, import-Groningers. Een gemiddelde Stadjer is ook meteen te herkennen: ‘Alies at graag vla bij Aaf in Asingastraat en later in Spaanse Aakstraat’. Ken je meteen het langste Grunneger toetjeswoord. Smakelijk!

Jos Rietveld, Mengelmous (Dagblad van het Noorden), 19 juni 2012

vrijdag 20 januari 2017

Ik woonde in een goudfabriek




In de prille beginjaren 60 woon ik met mijn ouders in een groot huis met een vormgeving waar volgens mij geen naam bij past. Ik noem het maar eclectisch, een keurig woord voor allegaartje. De entree heeft klasse: een brede marmeren gang, een vestibule met een klapdeur van groenig melkglas en een brede trap.
Het is een vochtig huis, want ik herinner me de condens op de slaapkamermuren. De ruime woonkeuken met allesbrander is de enige aangename plek. Aan de andere kant van de gang, achter een deur, is een steile zoldertrap met onregelmatig afgesleten treden waar ik nooit op mag; afgezien van een enkele keer onder begeleiding. Het is er koud, er is geen verlichting en je kunt de wolken zien. En het paard van Sinterklaas logeert er inderdaad niet.
We verhuizen als ik een jaar of vier ben. Een jonge, versgetrouwde zus van mijn moeder en haar man nemen nog kort de woning over. Snel daarna is het jaren in gebruik als een vliegende winkel met restpartijtjes goedkope zeep en nepgouden sieraden.

Dik dertig jaar later werk ik voor een uitgeverij en krijg een telefoontje van een abonnee die een adreswijziging wil doorgeven. Bij het noemen van haar naam en de straat, kan ik een verraste kreet niet inhouden: ‘Ik woonde een paar huizen verder, op de hoek!’
Zij weet wie ik ben en vertelt dat er uiteindelijk in 1978 frisse nieuwbouw is gekomen. Dat het een bijzonder pand was, die goudfabriek. –‘Goudfabriek?’, vraag ik.
Ze vertelt wat ze weet. Dat het pand in het begin van de 20e eeuw een goudfabriek is. Dat de arbeidsomstandigheden dusdanig slecht zijn, dat alle goudsmeden gaan staken. De baas reageert eenduidig: wie niet naar het werk komt, kan wegblijven. De arbeiders komen niet, de fabriek sluit en de eigenaar vertrekt met onbekende bestemming. Op 4 maart 1921 wordt het pand plus inboedel geveild en verkocht aan de man die later onze huisbaas is.

En dat alles in Schoonhoven, het idyllische zilverstadje aan de Lek, waar een groot deel van mijn familie in de zilverindustrie werkte.