vrijdag 3 februari 2017
Tostie! Standje ½
Het lijkt, zoals alle dingen die simpel lijken, gemakkelijk. Dat is niet zo. Tosti’s bakken. Zonet in het wijkcentrum bestel ik een simpele tosti: bruinbrood met kaas. Allereerst het positieve: de tosti was niet verbrand. Integendeel, de plakjes brood leken eerder ontdaan van kleur verschoten omdat ze een geroosterde staat moesten voorstellen. Lauw, wat, de kou was er net af.
En ook nog met kaas waar korstjes aanzaten. Gelukkig kon ik die er gemakkelijk aftrekken; dat was weer moeilijker geweest als de tosti krokant doorbakken was geweest. Toch braaf de tanden in de eerste helft maar dit was zo’n slappe hap dat ik de dienstdoende buffetbediende vroeg de tweede helft nogmaals te bakken; hetgeen tot enige woordeloze verwondering leidde. Maar wel, zij het zonder enige haast, gebeurde.
Na een poosje wachten dacht ik mijn helft nu wel lang genoeg tussen de grill had gelegen en lekker gebruind zou zijn. Niet. De maagvulling kwam even bleek terug als-ie heen was gegaan. Misschien stond het apparaat op standje ½? Van opperste verbazing, gecombineerd met nu dubbele teleurstelling vergat ik prompt een foto te maken. Wat overheerste was het gevoel dat ik bepaald geen waar voor mijn geld had gekregen. Natuurlijk weet ik dat de werkzaamheden in het wijkcentrum gebeuren door vrijwilligers. Maar dit mag toch geen excuus zijn benedenmaatse kwaliteit te bieden?
Een tosti moet, en niet alleen naar mijn smaak, krokant zijn, met kaas die behoorlijk tegen het smeltpunt zit. Ik plaats hier een foto van de tosti die ik als troost thuis maakte.
Misschien schrijf ik een vervolg over mijn tosti-avonturen, al of niet in de avonduren. Enne, mocht iemand van wijkcentrum F. dit lezen: ik kom graag een keer een workshop tosti bakken geven. Vergees.
zondag 29 januari 2017
Platjelopen - Spijbelweer
Op mijn blog Platjelopen van 16 januari jl. kreeg ik een aantal reacties van geboren en getogen Grunnegers dat ze het woord niet kenden. Zowel lu oet Stad as der boeten.
Opmerkelijk genoeg, vergelijkbaar veel herkenning van geboren en getogen Groningers. Zowel oet Stad as der boeten.
De niet-bekendheid-met, net als de kennis-van, had, volgens mij zeker niet te maken met rang of strand of klasse. En het waren ook geen mensen die nooit spijbelden.
Wie het weet mag het zeggen.
Voor iedereen ‘Spijbelweer’, mijn poëtische versie in Hollands en ‘Zummersmok’ in Grunneger toal.
Beide gedichten verschenen bij drukkerij Gerlach in Stad; beide gedichten zijn zomer 2003 in kleine oplage handgezet en ambachtelijk
gedrukt bij Dick Ronner in Houwerzijl. Bij die presentatie speelde Bert Ridderbos
zijn, speciaal door hem voor deze gelegenheid gecomponeerde, ‘Zummersmok’.
Het werd
een memorabele avond.
maandag 23 januari 2017
Kousenvoetjes en een lantaarn (Mm)
Hozevörrels (Mm)
Er bestaan mensen die het kunnen: veel verschillende talen spreken. En dan ook nog zonder dat iemand, hoe kritisch die ook luistert, hoort dat de spreker opgegroeid is met heel andere keelklanken. Ik kan me, soms met handen en voeten en een bijpassende gezichtsuitdrukking, in een handjevol talen uitdrukken. Gaat mijn publiek dan lachen, maakt niet uit, als ze me maar goed begrijpen.
Veel talen kennen tongbrekers; zinnen die vaak, ook al bedoeld om te lachen, lastig zijn om snel op te ratelen; doe je het twee keer of meer wordt het een mengelmous.
Een speciaal soort onder de tongbrekers is de sjibbolet. Een zin die bestaat uit zo veel mogelijk kenmerkende klanken dat die voor een buitenstaander moeilijk, om niet te zeggen vrijwel onmogelijk, foutloos uit te spreken is. Vaak gebruikt in tijden van oorlog en vergelijkbare ellende.
Laat een Duitser, hoe goed die de Nederlandse taal ook machtig is, ‘Chris schooide in Scheveningen om scheve schaatsen’ zeggen: hij valt door de mand. Probeer zelf eens het Engelse ‘She sells seashells at the seashore, the seasells that she sells, are seashells for sure’. In Groningen kennen veel mensen ‘Wel op hozevörrels mit schienvat in t haand op beune sielötten hoalen kin mout wel n Grunneger wezen’. Lees maar, import-Groningers. Een gemiddelde Stadjer is ook meteen te herkennen: ‘Alies at graag vla bij Aaf in Asingastraat en later in Spaanse Aakstraat’. Ken je meteen het langste Grunneger toetjeswoord. Smakelijk!
Jos Rietveld, Mengelmous (Dagblad van het Noorden), 19 juni 2012
vrijdag 20 januari 2017
Ik woonde in een goudfabriek
In de prille beginjaren 60 woon ik met mijn ouders in een groot huis met een vormgeving waar volgens mij geen naam bij past. Ik noem het maar eclectisch, een keurig woord voor allegaartje. De entree heeft klasse: een brede marmeren gang, een vestibule met een klapdeur van groenig melkglas en een brede trap.
Het is een vochtig huis, want ik herinner me de condens op de slaapkamermuren. De ruime woonkeuken met allesbrander is de enige aangename plek. Aan de andere kant van de gang, achter een deur, is een steile zoldertrap met onregelmatig afgesleten treden waar ik nooit op mag; afgezien van een enkele keer onder begeleiding. Het is er koud, er is geen verlichting en je kunt de wolken zien. En het paard van Sinterklaas logeert er inderdaad niet.
We verhuizen als ik een jaar of vier ben. Een jonge, versgetrouwde zus van mijn moeder en haar man nemen nog kort de woning over. Snel daarna is het jaren in gebruik als een vliegende winkel met restpartijtjes goedkope zeep en nepgouden sieraden.
Dik dertig jaar later werk ik voor een uitgeverij en krijg een telefoontje van een abonnee die een adreswijziging wil doorgeven. Bij het noemen van haar naam en de straat, kan ik een verraste kreet niet inhouden: ‘Ik woonde een paar huizen verder, op de hoek!’
Zij weet wie ik ben en vertelt dat er uiteindelijk in 1978 frisse nieuwbouw is gekomen. Dat het een bijzonder pand was, die goudfabriek. –‘Goudfabriek?’, vraag ik.
Ze vertelt wat ze weet. Dat het pand in het begin van de 20e eeuw een goudfabriek is. Dat de arbeidsomstandigheden dusdanig slecht zijn, dat alle goudsmeden gaan staken. De baas reageert eenduidig: wie niet naar het werk komt, kan wegblijven. De arbeiders komen niet, de fabriek sluit en de eigenaar vertrekt met onbekende bestemming. Op 4 maart 1921 wordt het pand plus inboedel geveild en verkocht aan de man die later onze huisbaas is.
En dat alles in Schoonhoven, het idyllische zilverstadje aan de Lek, waar een groot deel van mijn familie in de zilverindustrie werkte.
maandag 16 januari 2017
Platjelopen (Mm)
“Wat is dat…?!!” klonk het als een snerpende zweepslag. Trillend van ingehouden woede wees moe met een uitgestoken arm naar keukentafel. Geheel naar waarheid zei zoonlief: “Een fruitmand.” “En waistoe messchain hou dai hier komt, hm?”, ging t salvo verder.
Jonkje zweeg en keek naar een vogel in de tuin. “Kiek, ma, n vogel”, probeerde hij zwakjes. “Vogel, niks vogel, k zel die leren, snötoap, platjeloper!”
’t Was zo: paar weken terug had hij voor zijn verjaardag een nieuwe fiets gekregen. Het ging naar de zomer toe, de zon lonkte verleidelijk aan de andere kant van het raam van het klaslokaal. Hij kon op school goed meekomen dus verveelde hij zich daar vaak. Laif wicht oet klas wilde het briefje dat door een ouder buurmeisje geschreven was wel aan meester geven. Vervolgens hoefde hij alleen een beetje met de schooltijden rekening te houden om op tijd thuis te komen en klaar. De wereld lag, in de vorm van graskant naast het kanaal en alle routes tussen Stad en Appelbergen, voor hem open. Totdat… meester een geldinzameling bedacht om een fruitschaal te laten bezorgen.
Vogel hipte naar een andere struik. Jonkje wist dat alle verweer nu zinloos was en bleef zwijgen. Moe wist heel goed hou t mos. “Komst met mie mit noar school tou en dailt haile fruitmand oet aan dien klasgenoten en pas op: doe zulf kriegst niks, platjeloper!”
In de tuin maakte de vogel dat hij wegkwam.
Jos Rietveld, Mengelmous (Dagblad van het Noorden), 27 april 2010
Abonneren op:
Posts (Atom)





