maandag 18 juni 2018

Zomer in Charlottenburg


Charlottenburg-Wilmersdorf, een Berliner stadswijk.

Alles is er, zeggen ook eigen bewoners van de Bleibtreustrasse tevreden: school, bioscoop, winkels en ooh, restaurants. Voor elke beurs.
Een uitgebreid ontbijt of brunch bij café-restaurant Bleibtreu koop je voor een bedrag van een belegd broodje in Nederland.
Smul, voor je naar Kino 66 gaat, bij de vriendelijke overbuurmannen van Tagine van een oriëntaals voorgerechten-combi, inclusief een glas heel goede Libanese wijn.
Ga na afloop bij Don Quichote langs voor een portie fluwelen Jamón Ibérico.

Afgelopen week draait, net nieuw, ‘Vom Ende einer Geschichte’ (‘The sense of an Ending’ van Julian Barnes) met Charlotte Rampling. Over een hork van een man zoals er honderdduizenden rondlopen -een niet al te moeilijke vakantiefilm die weliswaar een lichte beproeving van geduld vraagt omdat het zo akelig echt is.

Trek voor een bezoek aan Marjellchen, even om de hoek, gerust een hele avond uit. Signora Azzaro zwaait niet alleen met uiterst klassiek-gastvrije schwung scepter over een keuken waarvan je alleen bij het zien van de menukaart al kwijlt; ze schakelt in haar gemeend-warme begroetingen en verhalen zonder enige moeite over van Duits naar Italiaans, Spaans, Engels, Hollands en meer talen.
Alle gerechten vergezeld van een historisch verantwoorde saus. Ramona Azzaro mag zich, zonder enige verwaandheid, een levende encyclopedie van vrijwel de hele geschiedenis van Duitsland noemen. Letterlijk, en tot op exact aantal of datum.

Op haar kaart van Königsberger Rinderfleck, huis-gemarineerde Kurischer Haff-snoekbaars, Pommersche Spickgans, Konigsberger Klöpse
tot Masurischer Sauerbraten en Schlesische Mohnklösse; bescheiden greep uit alle specialiteiten van Pruisen, Mazuren, Silezië en Pommern.

Of ik nog meer deed dan culinair ogen, oren en maag de kost geven? Jazeker, ik begeleidde een erg oudere heer na twee glaasjes rode wijn over de Kurfürstendamm en vergaapte me aan de vele, vele bruggen tijdens een uitgebreide boottocht over de Spree. Waar me duidelijk werd dat Berlijn groter is dan New York, voor bijna 30% uit ‘groen’ bestaat en op 3,5 miljoen inwoners slechts 140.00 studenten kent. Ja, slechts, Groningen herbergt maar er liefst 60.000 onder haar 200.000 Stadjers.

Rustig fietsen in wereldstad Berlijn.

woensdag 2 mei 2018

Hamburg, april 2018

We zijn in Hamburg om nuttigs, aangenaams en interessants te combineren. Dat wil wel in Hamburg. Op weg naar een van die directe aanleidingen lopen we op Balindamm 40.

De ronde, transparante reclamezuil wordt op dit moment gepresenteerd als ‘The First Appel Store’, één grote etalage voor Appel, die van de betere Duitse visconserven. Niet te verwarren, hi, met de store, een paar panden verderop, van de Amerikaanse computergigant.

Als het aanwezige promotieteam hoort dat wij speciaal voor deze unieke gebeurtenis uit Nederland zijn gekomen - je bent culinair publiciste of je bent culinair publiciste - beginnen, na ondertekening van een contract waarmee we afzien van eventuele rechten van uitzending, de camera’s te snorren en de microfoons te zoemen. De haring in tomatensaus smaakt, ook op de vrijwel nuchtere maag (ja, wil je wat, dan moet je wat), uitstekend. Met een iets zelfverzekerder tred lopen we later de Food Sky binnen.

Natuurlijk verwachten we geen hordes handtekeningenjagers.
Maar het, toch ietwat katterig-lege gevoel dat we, even maar hoor, constateren, kan slechts zeer miniem tippen aan wat oorlogssoldaat Beckmann heeft moeten ervaren toen hij terugkwam. Hij is een vreemde voor de nieuwe bewoners van zijn ouderlijk huis, een ongewenste voor zijn vrouw die ondertussen een andere man heeft. De schamele resten die hij aantreft van zijn leven-voordat en de stad die hij verliet, zijn genoeg om de laatste waardigheid die hij nog heeft, te laten smelten.
‘Buten vör de Döör’, de Platt-Hamburgse versie van regisseur Cornelia Ehlers van klassieker ‘Draussen vor der Tür’ die avond in Theater Ohnsorg, doet helemaal niet aan de voorgaande uren denken, allesbehalve. Dit kruipt diep onder de huid, heel diep. Oorlogsleed en -trauma’s stelpen niet met een jaarlijkse kranslegging of twee minuten stilte. Oorlogsleed en -trauma’s doen niet aan grenzen of nationaliteiten. Oorlogsleed en -trauma’s zijn universeel. En permanent.


vrijdag 13 april 2018

TAS OP TAFEL

Vorige week bereikte onze verstandhouding een teer punt.

Met een tas vol groenten en fruit komt ze langs, meteen van boodschap. ‘Even hoor, zo weer weg.’ Jas nog aan en tas in de armen stevent ze richting keuken.
Breedsprakig en vol enthousiasme begint ze meteen met wat ze wil vertellen en wat ik ook graag wil horen, terwijl ze haar volle tas pontificaal op de keukentafel plempt.

Op de keukentafel.

De tafel waaraan elke dag gegeten wordt, waar rauwe en verse ingrediënten voor de maaltijden worden bereid. Die, net als het aanrecht, een dusdanige functie heeft waarbij een aanmerkelijke dosis hygiëne structureel in acht dient te worden genomen.
Als ze haar orale waterval opeens onderbreekt omdat ze mijn grote ogen en verstarde houding opmerkt met een: ‘…Is er iets ofzo?’ kan ik alleen maar uitbrengen (tact is niet mijn grootste talent) ‘En je schoenen er meteen maar naast?'

Dit keer is ze niet snel van begrip. Ik moet haar uitleggen dat haar tas op vloeren van winkels en kroegen, bij bushaltes en op openbare wegen, winkelstraten, stations en trottoirs heeft gestaan. Daar waar haar schoenen haar ook allemaal hebben gebracht. Dat ik dat niet op tafel wil hebben. Nee, ik heb geen smetvrees maar er zijn grenzen.
‘O, jee, goh, ja, nooit over nagedacht’, zeg de laiverd dan terwijl ze de tas op de grond zet. Met enkele korte details rondt ze het verhaal staccato af.
Koffie komt er niet van.

zaterdag 7 april 2018

ERGERNISSEN en VERRASSINGEN

Tapbier zonder schuimkraag.
In een restaurant lang op je eten zitten wachten terwijl de bediening met elkaar loopt te geinen en dan halverwege het voorgerecht je hoofdgerecht al krijgen.
Een nieuw buurtcafé binnenkomen waar op de stamtafel twee baby’s worden verschoond.

Dergelijke ergernissen worden vaak veroorzaakt door onpraktische planning, onervarenheid of onverschilligheid van (keuken)personeel of door uitbaters die onzeker zijn over hun doelgroep. Oplossing: maken dat je wegkomt.

Deze blog kan ik zonder veel moeite volschrijven met meer culinaire ergernissen. In stad Groningen blijft mijn restaurant-Top 5 meestal bij drie steken en mijn eisenpakket is echt niet snobby of verwend. Gewoon normaal; schone omgeving, goed eten, menselijke medewerkers en af en toe een wissel op de kaart. Muziek niet nodig, zout en peper op tafel mag.

En dan zorgt Stadsrestaurant Het Oude Politiebureau aan de Zaagmuldersweg voor een onverwachte, verademend-aangename avond.
Open sinds een maand of twee met keukenhelden v/m Gerry Vermeer en Jesse Hansel die samen met mensen van werkleerbedrijf WerkPro een Stadsrestaurant neerzetten zoals het moet. Kleine kaart met voldoende keuze, veel verse, waar mogelijk regionale, waar en waar vanzelfsprekend, hèhè, desgewenst in overleg met de gast, een seintje aan keuken gegeven wordt wanneer hoofdgerecht doorkan. Waar bediening beschikt over genoeg productinformatie over het, eveneens beperkte, drankenassortiment. En waar, als onvergetelijke kennismaking, De Stadsproeverij (combi van voorgerechtjes) mij ook deed denken hoe jammer het was dat met elk hapje de, overigens goedgevulde, plank verder leeg raakte. Een avond als een onverwacht feestje!

De dag ervoor ben ik in koffiezaak PS bij de presentatie door studentenvereniging Bernlef van, Grunneges-Frysk grensoverschrijdend, het Pompeblêdbroodje.

Initiatiefnemer is Herman van Vliet van LekkereTrek, de gebruikte granen zijn Gronings en het eerste exemplaar wordt overhandigd aan ‘volbloed Groninger’ Henk Scholte.

Friese muzikant Piter Wilkens proeft, tussen zijn prachtige nummers, mee en is het eens met Scholte: draai je het ‘boltstje’ 180° dan is het een Groninger Haartje, zoals in de Grunneger vlag.

Inderdaad, grensoverschrijdend.



zondag 1 april 2018

Bakkie troost

Zeker, alles waar ‘te’ voor staat kun je je over achter de oren krabben. Vooral als het lekker is.

Ik heb nog nooit iemand horen zeggen dat-ie zich moet bedapperen bij het zien van een fles levertraan, een pond zure zult, een bord gebakken uier of een kilo spruiten (hoewel steeds meer mensen, zonder enige gène, hardop én in gezelschap, vertellen dat ze graag spruitjes eten).

Een proefpanel-collega, afkomstig van universiteit en (voedsel)onderzoeksinstituut Wageningen, vertelde mij van de Maillard*-reactie. Bij verhitting zonder water van zetmeelrijke voedingsmiddelen, kan, let wel kàn, acrylamide ontstaan. Dit geldt, ruig uitgedrukt, voor producten die na bakken, barbecueën, roosteren of grillen een gebruinde reactie geven. Denk maar aan tosti’s, aardappelen, chips, tabak, ontbijtkoek en brood. Ook frituurcultuur hoort bij deze groep.

Toch is patat en ander smakelijks (eierbal) niet meteen levensgevaarlijk, mits op juiste temperatuur bereid en met mate geconsumeerd. Niet alleen om de vetabsorptie (te veel, daar heb je het weer) maar omdat hier bij een temperatuur tussen, zeg 180 ° en 192° Celsius acrylamide ontstaat. Die op lange duur en bij veelvuldige consumptie bepaald niet gezond is.

Vuistregel is, net als te lang in de felle zon wentelteven, dat té bruin maar niet moet. Reden waarom je rustig de verbrande randjes van de tosti op je bord kunt achterlaten en een zwartgeblakerde ribeye of portie spareribs terug kunt sturen. Dit laatste natuurlijk niet als je al over de helft bent.

Smakelijke Pasen!





woensdag 21 maart 2018

Ik schrijf Stad (III-III)

---Ooit geschreven voor en over Kees van der Hoef, ooit voorgelezen aan De Dodentafel. Veel namen van zijn veranderd maar wel zo dat etablissementen en personen in kwestie herkenbaar zijn.---

Het worden, waarom ook niet, forse ijscoupes.
Als Geert en ik over eten beginnen zijn we zo niet uitgepraat. Een ruim uur later loop ik verder. Ik denk, terwijl ik de hoek omsla, aan hoe de Naberpassage aan haar naam komt. Casper ‘Clou’ Naber, de man die op Sint Maartensdag 1943 liever uit het raam van de bovenverdieping van het beruchte Scholtenhuis springt dan zijn kameraden te verraden. Hij zou nu 96 jaar zijn; wat zou er, had hij die sprong niet gemaakt, van hem zijn geworden; hoe zou zijn leven verder gegaan zijn? Ik weet het niet. Ik weet wel dat ik en iedereen hier vandaag en al decennia lang ontspannen rond kunnen lopen.

De Markt over, even naar De Ondergrondse. Buurman Egge Houtman vertelde ooit dat zijn opa van moederskant het smeedwerk bij de ingang maakte. Deze toiletgelegenheid moet nooit weggaan, denk ik voor de zoveelste keer als ik het losgeld op het glimmend gepoetste koperen bakje deponeer. Ik neem me voor, als ik hem weer zie, aan Egge te vragen of opa ook dit bakje gefabriceerd heeft.
Bovengekomen lonkt Der Spaß met zijn smakelijke Jevers en Erdingers. Nee, eerst afmaken wat ik me had voorgenomen, dan plezier.

Evert Kraalmetaal van de boekwinkel, een van de laatste zelfstandigen in dit métier, is in gesprek met een andere klant die hij vertelt over de collectie Groningana, elk jaar weer, hier op de eerste verdieping. Ik meng mij kort in het gesprek en reken mijn bestelling af als er meer klandizie komt. Dan, over het uitlopertje van de Hondsrug, kijk ik bij het verkeerslicht naar het hertje aan de gevel van het hoekpand - teken dat er vroeger een apotheek in het pand zat waar nu een advocatenkantoor is - en ga de Ebbingebrug over.
Is het toeval dat Egge bij café Schoonzicht, tegenover het Noorderplantsoen, op het terras zit. Ha, kan ik hem mooi vragen over dat koperen geldbakje.

Later, de zon is weg, maar de warmte nog niet, veel later - Korea’s 2-1 overwinning werd ook een beetje de onze - hoor ik op weg naar huis in de Kapteynlaan, door een open raam vanachter een zacht bewegende vitrage, muziek. Dichterbij gekomen vang ik “... de wilde plannen dij ik haar, komt sikkom niks meer van terecht...” op.

Ik ben thuis. © Jos H.J. Rietveld, 2003

zondag 18 maart 2018

Ik schrijf Stad (II-III)


---Ooit geschreven voor en over Kees van der Hoef, ooit voorgelezen aan De Dodentafel. Veel namen van zijn veranderd maar wel zo dat etablissementen en personen in kwestie herkenbaar zijn.---

Het noemen zonet van Oostfriesland, Duitsland, maakt Klaas wat alerter.
Hij legt de krant terzijde, misschien ook omdat hij heeft gelezen wat hij wilde lezen, en draait wat mijn richting uit.
Terwijl ik knabbel op mijn roomboterhartje van bij de koffie vertelt hij me dat het laatste project van Ferdy, een jongen die zich dichter noemt en zo in Groninger schrijverskringen kwam, niet doorgaat. Een lexicon over hedendaagse Groninger schrijvers uit het tweede circuit. Ik zeg eerlijk dat ik niet van verbazing van mijn stoel rol; had Ferdy niet eerder prachtige ideeën waarvan weinig tot niets terecht kwam? Klaas zucht en vertrouwt mij toe dat ik niet de eerste ben die zo reageert -alleen, hij heeft er geld in zitten, wel een paar honderd gulden. “Guldens hè”, zegt Klaas, “we praten nog in guldens”.

Afgezien van wat ik er verder van vind, begrijp ik de hint en bied Klaas nog een ijsthee aan -wanneer Klaas ijsthee drinkt is het echt warm- als kleine troost voor zijn misinvestering. Meteen dijt zijn glimlach zeker anderhalve centimeter uit. Hij gaat er nu even voor zitten: gezien het weer blijft het vandaag rustig met andere stamgasten dus zal hij het met mij moeten doen.

Klaas begint over de krant, wat dat allemaal moet voorstellen tegenwoordig. Waar sedert de regionale ochtend- en middagvarianten er nu slechts één is. Nijsblad-lezers missen hun Nijsblad ‘s middags, Dagblad-lezers krijgen de krant evenals voorheen ‘s morgens in de bus, maar ook zij zijn van mening dat dit dagblad hun krant niet meer is. Logisch, er is gewoon een totaal ander dagblad geboren dat noch doorgaat op de schreden van het een, noch het ander weet te evenaren.

Wat staat er vandaag de dag in de krant? Paul McCartney 60 is geworden, is dat nieuws? Het driekeuzeantwoord op de vraag wie het Doofstommeninstituut heeft opgericht in 1790; iedereen weet toch dat dit Guyot was. Vierkante meloenen uit Japan: hoezo komkommertijd...
Maar enfin, het voetbal gaat er wel om door, daar maakt Klaas zich geen zorgen over. Kon wel een goeie wedstrijd worden, straks. Ja, die Hidding heeft ze mooi zover gebracht dat ze nu tegen Italië gaan. O zo! Klaas drinkt zijn laatste slok en dat is meteen voor mij aanleiding verder te gaan.

Lopend met fiets aan de hand ga ik richting Grote Markt. Op het Italiaanse ijsterras zie ik Geert Veen zitten achter een espresso en een mineraalwater. Hij nuigt mij aan tafel. Al snel komt de boodschap: hij heeft een nij spaigelploatje, ‘Op roemte’ hait het en er staan door zijn band zelfgecomponeerde nummers op bij teksten van de Hogelandster dichter Henk Bakker. Hij heeft er een bij zich, die mag ik wel hebben, deze poëzie ken ik toch wel. Zeker, dankjewel. “Waarm” constateert Geert, terwijl hij zich als een luie leeuw uitrekt.“IJs” geef ik een voorzet. Moeiteloos trapt Geert de bal in het doel: “Doar spuig ik nait in”.

woensdag 14 maart 2018

Ik schrijf Stad (I-III)

---Ooit geschreven voor en over Kees van der Hoef, ooit voorgelezen aan De Dodentafel. Veel namen van zijn veranderd maar wel zo dat etablissementen en personen in kwestie herkenbaar zijn.---


“Zuid-Korea gaat doooooor!!!” 
De opgewonden stem van Evert ten Napel, commentator bij de wedstrijd van het Wereldkampioenschap voetbal van vandaag. Een, voor Nederlandse begrippen tropisch-warme dinsdag 18 juni, schalt door het opengeschoven raam naar het terras van café Schoonzicht. Binnen hangt een grootbeeldscherm waarop de wedstrijd tussen Italië en Zuid-Korea direct te volgen is. De wat mindere voetbalfanaten geven de voorkeur aan het terras: je blijft op de hoogte van het verloop van de wedstrijd, je zit lekker buiten. En het bier is er niet minder om.

Vandaag wil ik naar café-restaurant De Vagebond waar Klaas van der Hak begin van de middag resideert, er wacht een bestelling bij boekhandel Wouter Godschalk en ik ga éven bij vriendin en café-uitbaatster Anita op het Zuiderdiep langs omdat het weer veel te lang geleden is.

De kortste weg naar De Schrijftafel, zoals de ronde stamtafel ook genoemd wordt, waaraan veel Groninger dichters en schrijvers regelmatig zitten of ooit gezeten hebben, voert dit keer langs Voorspoed aan de Carolieweg, de oudste cafetaria van Stad. Ik werd al wakker met een drang naar vet en kies een van de ongeëvenaarde door hen zelfgemaakte eierballen uit het loket; verantwoord snacken is altijd goed, hi.

Gelkinge- en Oosterstraat oversteken, langs waar ‘School je dood’ was, de naam die het pand dat hier eerder stond krijgt als het begin jaren tachtig vorige eeuw wordt gekraakt. Zo’n zestig jaar eerder is het openbare lagere school ‘XXVII’. In die tijd dragen scholen een nummer, geen naam. Peperstraat in en rechts middenin, meteen na waar ooit café De Azuren Krans was gevestigd, afslaan en vervolgens aan het hek van het voormalige studentenpand Achter de Muur/hoek Poelestraat naast De Vagebond de fiets parkeren.

Klaas leest aan tafel de voetbalbijlage van de krant en geeft mij weinig aanmoediging wanneer ik antwoord de laatste tijd weinig te hebben geschreven maar wel een leuk nieuwtje heb. Ik vertel hem dat Gerard Bruin, de schilder van het Noord-Nederlandse stroomlandschap, mijn gedicht over zijn werk graag geplaatst ziet in de catalogus, behorend bij zijn overzichtstentoonstelling in het Drents museum ‘In de ruimte is te wezen’. Hetgeen toch wel het vermelden waard is. En dat er in Diesel, het literaire tijdschrift van die streek, een gedicht van mij in het Oostfries is vertaald om bij een In Memoriam over schrijfster Janna Hausmeier te worden geplaatst.

Klaas mompelt afwezig goedkeurend. De ruime berichtgeving over het Wereldkampioenschap lijkt iets meer van zijn aandacht op te eisen. Hoe was het alweer? Had Klaas zelf ook niet een blauwe zondag gevoetbald? In hoeverre is zijn twaalfregelige gedicht ‘Junioren Leed’ dat uitvergroot bij sportcafé Kees in de Zwanestraat hangt, eigenlijk autobiografisch?